Op 6 februari 2026 heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de manier waarop de billijke vergoeding moet worden begroot. Deze vergoeding kan aan een werknemer worden toegekend wanneer het dienstverband eindigt als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
In de praktijk wordt de hoogte van de billijke vergoeding vaak bepaald aan de hand van het inkomen dat de werknemer zou hebben ontvangen als het verwijtbare gedrag van de werkgever niet had plaatsgevonden. De rechter schat dan hoe lang de arbeidsovereenkomst waarschijnlijk nog had voortgeduurd en welk loon in die periode zou zijn verdiend. Dit kan enkele maanden zijn, maar het is ook voorstelbaar dat het nog jaren had voortgeduurd.
De Hoge Raad heeft nu beslist dat de rechter bij deze berekening de mogelijke WW-uitkering in mindering mag brengen op het gederfde loon. Als de rechter kijkt naar de financiële gevolgen van het voortijdige einde van het dienstverband, mag hij namelijk niet alleen het loonverlies meewegen, maar ook voordelen die daarmee samenhangen, zoals een uitkering of andere inkomsten. Daarbij kan ook meewegen of de werknemer wordt benadeeld in mogelijke toekomstige rechten op een werkloosheidsuitkering.
(HR 6 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:193)
Heeft u vragen over de billijke vergoeding? Neem dan contact op met het arbeidsrechtteam.
Wilt u uw zaak met een advocaat bespreken?
Leg u zaak direct kosteloos voor aan één van onze advocaten.